Interview Pieter Quaghebeur (das Kunst)

Pieter Quaghebeur (45) is al twintig jaar lang verweven met het jeugd- en cultuurwerk in Vlaanderen. Als tiener lag hij mee aan de basis van jeugdhuis Den Couter in Poperinge en na zijn studies werkte hij onder andere bij Zonzo Compagnie, Artforum en Formaat. Sinds vijf jaar is hij coördinator bij das Kunst, een organisatie die zich inzet voor cultuureducatie bij kinderen en jongeren.

“Ik ben altijd actief geweest binnen de jeugd- en cultuursector. Als coördinator, programmator, organisator… In mijn vrije tijd werkte ik daarnaast aan meer dan 800 concerten mee als tourmanager. Die ervaring heeft me veel geleerd over het creatieve proces van kunstenaars. ‘Wat is een concert? Wanneer wordt er gerepeteerd? Hoe kom je tot een plaat of voorstelling?’”

In 2014 ging Pieter aan de slag bij zZmogh, de cultuureducatieve organisatie die twee jaar geleden, mede onder zijn toezicht, omgedoopt werd tot das Kunst. Sinds die omslag beweegt de organisatie zich niet meer kriskras door Vlaanderen maar focust ze zich op stedelijke omgevingen. Die keuze was er niet enkel omwille van de decretale voorwaarden waar cultuureducatieve organisaties aan moeten voldoen ­­– er wordt verwacht van hen dat ze deelnemers bereiken uit minstens drie provincies – maar ook omdat er in steden andere uitdagingen liggen.

Stedelijke context

“We zijn in de steden die we goed kenden gaan kijken welke noden er waren”, zegt Pieter. Momenteel lopen er project van das Kunst in Gent, Kortrijk en Antwerpen. Ze organiseren er onder andere kunstateliers en kunstfabrieken waar begeleiders aan de slag gaan met kinderen van zes tot twaalf jaar. “De ateliers gaan wekelijks door op een vaste plek. De kunstfabrieken vinden tijdens schoolvakanties plaats. Daar wordt dan een week lang samen aan kunst gewerkt. Dat doen we met overheadprojectors, verf, klei, naai- en boormachines, computers, papier, graffiti, hout… Geen hightech maar low-tech”, vertelt Pieter. “We zijn een nomadische werking: we komen naar de deelnemers toe. Het is niet altijd gemakkelijk om bijvoorbeeld kinderen in armoede of met een handicap te betrekken. Met onze mobiele ateliers lukt het wel om zo’n verscheiden en vaak kwetsbare doelgroep te bereiken.”

Als we doorvragen naar het belang van jeugd- en cultuurwerk in de specifieke stedelijke context wijkt Pieter snel af: “Ik heb eigenlijk geen lokale of Vlaamse reflex. Ik denk eerder Europees of nog groter.” Hij droomt luidop van een internationaal en digitaal netwerk: “Dan hangt het zelfs niet meer af van steden of platteland. De methodieken die we ontwerpen, de tools die we maken, om in de publieke ruimte met kinderen en jongeren aan de slag gaan, zouden over heel de wereld gebruikt kunnen worden. Of dat nu in Mumbai, Madrid, Milaan of Marrakesh is.”

Infrastructuur

“Toen we onszelf met das Kunst moesten heruitvinden hebben we besloten ons meer te verplaatsen en niet te focussen op een eigen ruimte. Veel organisaties hebben de reflex om zich zo op hun eigen infrastructuur te richten dat het belemmerend kan werken. Dat geldt ook voor jeugdhuizen,” vertelt Pieter. “Je hebt telkens generaties die zich het jeugdhuis eigen maken. Dat gebeurt binnen een infrastructuur. Die is belangrijk maar het is ook een beperking. Telkens opnieuw; het redden van de meubels. Eigenlijk wil je niet te veel vasthangen aan de muren of aan het verleden. Er is vaak een snelle doorstroom van vrijwilligers en beroepskrachten. Daarom mag je geen tijd verspillen op het moment dat je je ding kan doen in het jeugdhuis. Je moet iets proberen opbouwen voor de toekomst. Ga vooruit.”

Als een jazzmuzikant

Sinds de doorstart als das Kunst, werkt de organisatie bijna niet meer in de schoolcontext. Nu ligt de focus op de vrije tijd. “Onder andere omdat je op scholen altijd beperkt wordt tot een traject dat binnen de leerdoelstellingen valt”, zegt Pieter, die vrij wil zijn om te improviseren. “We werken het liefst met beeldende mensen die denken als een jazzmuzikant. Jazz past niet in een school. Onze begeleiders moeten een goede techniek hebben, maar vervolgens freejazz-gewijs met de doelgroep omgaan. De doelgroep staat centraal. De maker mag niet te hard vasthouden aan zijn eigen idee. Dat kan ik het best in muziektermen uitdrukken.”

Van de kinderen een jazzmuzikant maken? Dat zegt hij niet zomaar: “Het is belangrijk dat kinderen en jongeren op een positieve manier leren omgaan met verandering. De verandering gaat steeds sneller. Die data bestaan.” Pieter verwijst naar Future Shock, het boek van Alvin Toffler uit 1970 dat veel impact heeft gehad op zijn manier van denken. “Toffler zag een enorme stijging in de veranderingen van relaties, werk, producten… Mensen kregen het steeds moeilijker om daarmee om te gaan. Om oplossingen te zoeken, voortdurend en met elkaar, is die freejazzmentaliteit bij begeleiders en deelnemers zo belangrijk. En als er toffe resultaten uitkomen: graag.”

“Organisaties die met jongeren werken, zoals jeugdhuizen en das Kunst, mogen niet in slaap vallen”, vertelt Pieter. “Enerzijds moet je alles goed voorbereiden, anderzijds moet je alles voortdurend bijsturen. Op twintig jaar tijd zie ik een grote evolutie. Als je vroeger een goed idee had kon je dat tien jaar volhouden. Nu leeft zo’n idee amper drie of vijf jaar. Iets bedenken en het morgen aanpassen, dat is een talent dat mensen moeten ontwikkelen. Blijkbaar waren de grote klassieke werken van bijvoorbeeld Bach en Mozart absoluut niet bedoelt om 500 jaar op dezelfde manier te spelen. Er waren aanwijzingen, tempo, noten… maar er was ook veel ruimte om een eigen invulling en betekenis te geven. Nu wordt verwacht dat je zo’n werk zo secuur mogelijk uitvoert. De interpretatiekracht lijkt verloren.”