Een portret van Willy Faché

Willy Faché was midden jaren zestig de eerste beroepskracht bij de Vlaamse Federatie voor Jeugdhuizen en de voorloper van Formaat. Formaat ontstond immers in 2007 door een fusie van VFJ met JGM (Jongerengemeenschappen).

Vanaf 1977 begon Willy zijn loopbaan aan de faculteit psychologische en pedagogische wetenschappen van de UGent. Hij blijft echter de evoluties in het jeugdhuislandschap opvolgen. Dat uit zich onder andere in verschillende publicaties over jeugdhuiswerk, waaronder het boek ‘Inspiratie tot innovatie in jeugdhuizen, jongerencentra, jeugdcentra en jeugdclubs’ (Garant uitgeverij, 2018). Formaat sprak met Willy over de evoluties in het jeugdhuiswerk, samenwerken en de rol van de lokale overheid.

Waarom is een boek over innovatie in jeugdhuizen belangrijk?

Willy Faché: “Na enkele jaren gewerkt te hebben bij de Vlaamse Federatie voor Jeugdhuizen ben ik overgestapt naar de universiteit van Gent. De ontwikkelingen in de jeugdhuizen ben ik echter altijd blijven volgen. Dat lukt onder andere via de thesissen over jeugdhuiswerk die mijn studenten maken. Daarnaast volg ik ook onderzoeken over jeugdhuizen in het buitenland. Ik merkte daarbij op dat er op zich niet zo veel verandering in de Vlaamse jeugdhuizen plaatsvindt, ondanks het feit dat de jonge bestuursploegen in Vlaanderen regelmatig wisselen.”

“Eerst wilde ik graag een vergelijkende studie maken over de verschillende jeugdhuisvormen in andere landen. Maar om de Vlaamse jeugdhuizen echt te inspireren, leek het me relevanter om het te hebben over de functies die een jeugdhuis kan hebben. Daarbij inspireerde ik mij vooral op jeugdhuizen in andere landen. Zo kwam ik tot negen mogelijke functies of doelstellingen van jeugdhuizen.”

Wat zijn volgens u de voornaamste evoluties in het jeugdhuislandschap geweest?

“Vanaf de jaren zestig, tot een behoorlijk stuk in de jaren zeventig, namen vooral volwassenen het initiatief tot oprichting van een jeugdhuis. En zij bleven het beleid in een jeugdhuis bepalen. Soms van op de achtergrond, maar vaak ook sterk op de voorgrond. Die volwassenen hadden toen vooral een beschermende en soms controlerende rol. De instuif was er toen vooral om jongeren naar de clubwerking toe te leiden. Nu heeft de instuif een waarde op zich. Bovendien hadden in die periode heel wat jeugdhuizen een bepaalde ideologische strekking, waarvan de katholieke zuil de grootste was."

data/upload/assets/Willy_Fache_680x-1.jpg

“Vanaf de jaren zeventig evolueerde het jeugdhuis van een volwassenen- naar een jongereninitiatief. Daar speelde mei ’68 uiteraard een grote rol in. Ook het jeugdhuis werd door jongeren gerund. Dit is volgens mij één van de meest essentiële evoluties geweest. Toen jongeren zelf het initiatief begonnen te nemen, zag je ook het aantal jeugdhuizen toenemen. Overal waar jongeren zich wilden engageren, ontstonden jeugdhuizen.”

“Doordat jeugdhuiswerk de laatste decennia echt een initiatief van, voor en door jongeren is, werd de instuif, de ontmoeting en plezierbeleving in het jeugdhuis cruciaal. Jongeren halen immers zowel voldoening, als plezier uit het samen ondernemen. Dit Vlaamse model is zelfs redelijk uniek. In de meeste andere landen, en zelfs in Wallonië, bestaat jeugdhuiswerk als een initiatief van jongeren en gebaseerd op vrijwilligerswerk niet. In het buitenland is er bovendien vaak een veel explicietere focus op de educatieve rol van jeugdhuizen, geleid door professionals, en zijn de doelgroepen niet alleen jongeren maar ook kinderen.”

Zijn er nog zaken die u in de loop van de ‘jeugdhuis-geschiedenis’ zijn opgevallen?

“Oorspronkelijk stond ik zeer positief tegenover jeugdhuizen die actief de diversiteit van jongeren en medewerkers in het jeugdhuis bevorderen, zowel sociaal-cultureel en economisch als etnisch divers, jongeren met beperkingen enzovoort. Maar toen er ook doelgroep specifieke jeugdhuizen ontstonden, bijvoorbeeld vanuit de Turkse gemeenschap en voor jongeren met Turkse roots, zag ik in dat het voor deze jongeren belangrijk is om zich thuis te voelen onder elkaar. Inclusie van diverse groepen lukt niet altijd. Maar het is wel essentieel dat er ontmoeting en samenwerkingsverbanden tussen die verschillende jeugdhuizen ontstaan. Zo blijven jeugdhuizen niet op hun eiland zitten en bevorderen zij dat jongeren ontvankelijk zijn voor verschillen en respectvol en tolerant omgaan met die verschillen.”

Samenwerking en uitwisselingen tussen jeugdhuizen zijn dus waardevol. Ziet u ook een rol van jeugdhuizen in de publieke ruimte?

“Het is heel belangrijk dat jeugdhuizen aandacht hebben voor hun omgeving, voor de buurt rond hun jeugdhuis. Zo kunnen jeugdhuizen samenlevingsprojecten opzetten of ondersteunen. Dat doen ze best niet voor, maar mét de jongeren in die buurt. Daarbij is het niet noodzakelijk de bedoeling om jongeren toe te leiden naar het jeugdhuis, maar eerder om hen te ondersteunen in het initiatief nemen. Dat hoeft niets grootschalig te zijn, maar kan bijvoorbeeld ook gaan over het samen ijveren voor een goed onderhouden sportterrein, indien daar in de buurt nood aan is. Het jeugdhuis speelt dan een faciliterende en versterkende rol.”

“Er kan daarnaast ook meer samenwerking zijn tussen jeugdhuizen en jongereninformatiecentra, zodat er meer aandacht komt voor latente hulpvragen van jongeren. Het is immers vaak zo dat jongeren hun persoonlijke problemen of uitdagingen niet formuleren in vragen naar hulp, maar op een eerder impliciete manier in de bar of op het sportterrein. JIC’s (jongereninformatiecentra) en JAC’s (jongerenadviescentra) kunnen jeugdhuizen ondersteunen in het herkennen van hulpvragen en beide partijen kunnen samen afspraken maken over bijvoorbeeld doorverwijzing van jongeren.”

“Interessante samenwerkingen doen zich ook voor tussen jeugdhuizen en cultuurcentra. Dat is zeker zo voor die jeugdhuizen met een bovenlokaal project artistieke expressie. Cultuurcentra kunnen expertise en infrastructuur beschikbaar stellen, terwijl jeugdhuizen uiteraard sterk zijn in het bereiken van jongeren – wat dan weer moeilijker is voor cultuurcentra.”

“Lokale overheden kunnen samenwerkingen stimuleren. Dat kan bijvoorbeeld door jeugdhuizen die willen samenwerken financieel en/of materieel te ondersteunen. Je kan dat zelfs in de subsidiereglementen opnemen. De overheid heeft de belangrijke taak om veelzijdig jeugdhuiswerk te stimuleren. Eén van de manieren om dit te verwezenlijken is jeugdhuizen inspiratie laten opdoen door buiten hun eigen werking te gaan kijken.”

Waar moeten lokale overheden zich nog voor engageren?

“De lokale overheden kunnen vooral de rol van ‘stimulator’ opnemen. Als ze merken dat het jeugdhuis zich beperkt tot enkel en alleen dansinstuif, kunnen ze stimuleren om de werking te verruimen. Niet door het op te leggen, wel door impulsen te geven. Dat kan bijvoorbeeld door inspiratiebezoeken te organiseren: een aantal jeugdhuizen gaan dan op bezoek bij andere jeugdhuizen of jongerencentra waar er boeiende, vernieuwende ontwikkelingen plaatsvinden. Dat kunnen andere jeugdhuizen in Vlaanderen zijn, maar ook in Wallonië of zelfs in het buitenland.

data/upload/assets/Willy_Fache_680x.jpg

Daarnaast kan een lokale overheid – dus een jeugdambtenaar of schepen van Jeugd – het gesprek aangaan met jongeren over andere zaken die in het jeugdhuis kunnen gebeuren. Ze moeten dan ook wel bereid zijn om daar eventueel financiële middelen voor vrij te maken. In de Scandinavische landen en in de USA is er bijvoorbeeld sinds een tiental jaar veel aandacht voor ervaringsleren in ‘tech workshops’. Jongeren worden daar gestimuleerd tot bedenken, ontwerpen, ontwikkelen, creëren en construeren van nieuwe digitale en materiële ‘producten’. Dat kan je natuurlijk niet zomaar realiseren: dit vraagt voldoende financiële middelen én voldoende expertise.”

Zie je valkuilen in die ondersteuning vanuit de lokale overheid?

“Helaas gaan sommige jeugdambtenaren en schepenen voor de jeugd terug naar hun eigen ervaringen in het jeugdhuis. Dat houdt vaak het stimuleren tot innovatie tegen. Zij houden immers vast aan het beeld van jeugdhuizen dat ze kennen vanuit hun jeugd

In uw boek omschrijft u negen functies voor jeugdhuizen. Kan u daar wat meer over vertellen?

“Jeugdhuiswerk is learning by doing. Ik heb het dan ook niet over pedagogische doelstellingen, omdat dat veel lijkt op volwassenen die aan jongeren iets willen ‘aanleren’. Daar gaat het in jeugdhuizen niet over, wel over al doende leren. Als je bijvoorbeeld het activiteitenprogramma voor het volgende jaar bespreekt met jongeren, dan leer je rekening houden met anderen, leer je luisteren … en leer je dus tot democratische besluitvorming komen.”

“Het gaat volgens mij ook niet over zogenaamde ‘maatschappelijke’ functies. Bestrijding van drug- en alcoholgebruik bijvoorbeeld is geen hoofdtaak van het jeugdhuis. Dergelijke maatschappelijke functies zijn eerder een gevolg wanneer andere functies voor jongeren door het jeugdhuis worden vervuld. Die negen functies waarover ik het heb zijn eigenlijk de talrijke positieve effecten van jeugdhuiswerk op de ontwikkeling van jongeren."

NEGEN FUNCTIES VAN JEUGDHUISWERK VOLGENS WILLY FACHÉ

Jeugdhuiswerk:

  1. faciliteert ontmoeting met leeftijdsgenoten en bevordert nieuwe vriendschappen
  2. optimaliseert vrijetijdsbeleving
  3. ondersteunt jongereninitiatief en versterkt hun zelf organiserend vermogen
  4. bevordert niet-formeel, informeel en ervaringsleren
  5. draagt bij aan de identiteitsontwikkeling en maakt experimenteren mogelijk
  6. faciliteert de toegang tot gepersonaliseerde informatie en advies
  7. leert omgaan met diversiteit
  8. verdedigt de belangen en rechten van jongeren
  9. bevordert democratische houding en vaardigheden

Die functies kunnen in een jeugdhuis uiteraard sterk verweven zijn. Ook de onderlinge verhouding tussen functies kan per jeugdhuis verschillen. Hierdoor onderscheiden jeugdhuizen zich door de functies die ze voor jongeren (willen) vervullen.

Tekst: Nick Beerens
Foto: Leontien Allemeersch